door op "Accepteer cookies" te klikken, stem je in met het gebruik van cookies en andere technologieën om persoonlijke data te verwerken. Cookies worden door ons en door ons vertrouwde partners gebruikt om jouw ervaring op Slimleren te optimaliseren, analyseren en personaliseren. Meer weten?
Slimleren engels onderwerpen
Kun jij wel wat extra hulp voor engels gebruiken? Met Slimleren oefen je op een leuke en slimme manier de stof waar jij moeite me hebt. Gewoon thuis waar en wanneer jij maar wilt. Zo ben je altijd goed voorbereid op toetsen en ga je fluitend het schooljaar door.
Grammatica - Grammar
-
Werkwoordstijden
Overzicht en leerroute: Engelse werkwoordstijden
Engelse werkwoordstijden: present en past, simple en continuous
Om een Engelse werkwoordstijd te kiezen, kijk je eerst naar de betekenis van de zin. Gaat het over het heden of over het verleden? Beschrijf je een feit, gewoonte of gebeurtenis als geheel, of benadruk je dat iets op een bepaald moment bezig is of was?
- Present simple: voor onder meer feiten en gewoonten. ‘She plays tennis every week.’
- Present continuous: voor onder meer iets dat nu bezig is. ‘She is playing tennis now.’ Je gebruikt am, is of are + een werkwoord met -ing.
- Past simple: voor onder meer afgeronde gebeurtenissen en gewoonten in het verleden. ‘She played tennis yesterday.’ Regelmatige werkwoorden krijgen meestal -ed; onregelmatige vormen moet je apart leren.
- Past continuous: voor iets dat op een bepaald moment in het verleden bezig was. ‘She was playing tennis when her phone rang.’ Je gebruikt was of were + een werkwoord met -ing.
Woorden zoals ‘every week’, ‘now’ en ‘yesterday’ helpen je, maar bepalen niet op zichzelf de werkwoordstijd. Lees de hele zin. Ook ‘when’ en ‘while’ zijn geen automatische regel voor één bepaalde tijd.
Leer de vormen eerst afzonderlijk. Vergelijk daarna simple en continuous binnen dezelfde tijd. Kun je zowel de tegenwoordige als de verleden tijd gebruiken? Bekijk dan de uitleg waarin de vier tijden door elkaar voorkomen. Dit overzicht behandelt deze vier basistijden, niet de perfect- en future-tijden.
Kies je uitleg
-
Present simple
Beschrijf feiten en gewoonten en leer de vorm bij he, she en it.
-
Present continuous
Maak de duurvorm met am, is of are + werkwoord met -ing.
-
Present simple of present continuous?
Kies op basis van de betekenis tussen bijvoorbeeld een gewoonte en iets dat nu bezig is.
-
Past simple
Beschrijf gebeurtenissen in het verleden en leer de spelling van regelmatige verleden-tijdsvormen.
-
Past simple van onregelmatige werkwoorden
Leer vormen zoals went, saw, had, was en were.
-
Past continuous
Beschrijf wat op een moment in het verleden bezig was met was of were + werkwoord met -ing.
-
Past simple of past continuous?
Maak onderscheid tussen een gebeurtenis als geheel en iets dat op dat moment bezig was.
-
Present en past, simple en continuous samen
Kies eerst heden of verleden en daarna de vorm die bij de betekenis past.
- Tegenwoordige tijd (present tenses)
- Verleden tijd (past tenses)
- Voltooide tijd (perfect tenses)
- Toekomende tijd (future tenses)
- Tijden mix - mix of tenses
- Onregelmatige werkwoorden
- Overige tijden
-
Meervoud
-
Hulpwerkwoorden, vragen & ontkenningen
- Hulpwerkwoorden
- Vragen
- Ontkenningen
-
Twijfelwoorden
-
Voornaamwoorden
- Persoonlijk & bezittelijk voornaamwoord
- Aanwijzend & betrekkelijk voornaamwoord
- Overige voornaamwoorden
-
Bijvoeglijk naamwoorden & bijwoorden
- Bijvoeglijke naamwoorden & Bijwoorden
-
Andere woordsoorten & grammatica
- Voorzetsels
- Voegwoorden
- Lidwoorden
- Bezitsvorm
- If-sentences
Taalschat - Vocabulary
-
Afkortingen
- Afkortingen
-
Zinnen
- Klokkijken
- Spreekwoorden, gezegden en uitdrukkingen
-
Woorden
- Dagen, maanden & seizoenen